Naar de inhoud

Bepalende woorden plaatst men voor een zelfstandig-naamwoord-zinsdeel om de identiteit van de zaak te bepalen. Het belangrijkste bepalende woord is het bepaald lidwoord la.

La — bepaald lidwoord

Het woordje la geeft aan dat men spreekt over een bepaalde zaak, die gekend is door de aangesproken persoon .

Men voegt geen uitgangen toe aan la, noch J, noch N:

  • la domo = dat door jou gekende huis
  • la bela junulino = die door jou gekende mooie jonge vrouw
  • la junulinoj = die door jou gekende jonge vrouwen
  • la altaj montoj = die door jou gekende hoge bergen
  • la ruĝajn krajonojn = die door jou gekende rode potloden

In bepaalde gevallen kan men de afgekorte, afgekapte vorm l' gebruiken.

La komt voor andere epiteta van het zelfstandig naamwoord. Een eventueel voorzetsel plaatst men voor la:

  • en la domo
  • ĉe la bela junulino
  • pri la altaj domoj

Individualiteiten

Als het gaat over individualiteiten (niet over een soort), betekent la dat de spreker veronderstelt dat de aangesprokene de zaak kent. La betekent dan ongeveer "je weet, over wie ik het heb".

Afwezigheid van la (of een ander bepalend woord) betekent dat de spreker veronderstelt dat de aangesprokene de zaak niet kent. Afwezigheid van een bepalend woord betekent ongeveer "je weet niet over wie ik spreek". Afwezigheid van een bepalend woord kan betekenen dat de identiteit geen belang heeft. Het niet gebruiken van la is dus even erg als het gebruik van la.

  • La rozo apartenas al Teodoro. - De roos hoort toe aan Theo.

    De spreker veronderstelt dat de luisteraar kan weten over welke roos het gaat.

  • Al Teodoro apartenas rozo. - Aan Theo hoort een roos toe.

    Nu gaat het over een roos, die de luisteraar niet kent.

  • Domo brulas! - Een huis brandt!

    Een individueel huis brandt, maar de spreker is niet zeker, of de luisteraar weet over welk huis het gaat, of misschien weet de spreker zelf wel niet, welk huis brandt.

  • La domo brulas! - Het huis brandt!

    De spreker wil informeren dat een bepaald huis, dat de luisteraar wellicht kent (misschien zijn huis), brandt.

  • Venis multaj gastoj al via festo, ĉu ne? - Er kwamen veel gasten naar je feest, niet waar?

    De gasten zijn inderdaad wel bepaalde individuen, maar hier dient het zinsdeel multaj gastoj alleen om te informeren over het aantal gasten. Hun individuele of groepsidentiteit heeft geen belang.

Voordien vermeld

Normaliter is iets gekend omdat men het voordien al heeft vermeld. La betekent dan, dat men verwijst naar het iets, dat men voordien al heeft vermeld. Niet gebruik van la betekent dat men iets nieuws in het verhaal binnenbrengt:

  • Mi havas grandan domon. La domo havas du etaĝojn. - Ik heb een groot huis. Het huis heeft twee verdiepingen.

    Bij de eerste vermelding weet de luisteraar nog niet over welk huis het gaat. Daarom gebruikt de spreker daar la niet. Bij de tweede verwijzing naar het huis voegt de spreker la toe om aan te geven, dat het gaat over het net vermelde huis. Moest hij la dan niet hebben gebruikt, zou de luisteraar kunnen veronderstellen, dat het om een ander huis gaat dan het net vermelde of om een huis in het algemeen (om het even welk huis).

  • En tiu ĉi skatolo estas frukto. La frukto estas ronda. - In deze doos ligt een vrucht. De vrucht is rond.

    Eerst brengt vrucht (zonder la) iets nieuws aan. De luisteraar weet dus, dat er een vrucht is in de doos. Daarna kan de spreker verder praten over de vrucht met de woorden la frukto.

  • Mi havas tri infanojn. La infanoj ofte ĝojigas min. - Ik heb drie kinderen. De kinderen maken me dikwijls blij.

    La geeft aan dat het over de voordien vermelde kinderen gaat.

  • Sur la strato iris tri viroj. Ili aspektis kiel friponoj. Subite la tri friponoj malaperis en bankon. Ŝajnis, ke la banko estas prirabota. - In de straat lopen drie mannen. Zij zien eruit als schurken. Plots verdwijnen de drie schurken in een bank. Het lijkt erop dat de bank zal worden beroofd.

    Na de eerste vermelding van de drie mannen, en de informatie dat ze er uitzien als schurken kan men ze gewoon benoemen met la (tri) friponoj. Het zinsdeel la (tri) friponoj dient als ad hoc eigen benaming van precies die drie mannen. Na de eerste vermelding van de bank kan men hem benoemen met la banko.

Het is onnodig om telkens precies dezelfde woorden te gebruiken om naar een zelfde zaak te verwijzen. Het volstaat om la te gebruiken:

  • Tre malproksime de ĉi tie loĝis reĝo, kiu havis dek unu filojn kaj unu filinon, Elizon. La dek unu fratoj iradis en la lernejon kun stelo sur la brusto kaj sabro ĉe la flanko. - Heel ver van hier woonde een koning, die elf zonen en één dochter, Elise, had. De elf broers gingen naar school met een ster op de borst en een sabel aan hun zijde.

    Hoewel men ze eerst benoemt met het woord filoj, kan men er daarna naar verwijzen met la (dek unu) fratoj.

Niet rechtstreeks vermeld, maar kan geraden worden

Dikwijls is iets gekend, omdat een ander, voordien vermeld, iets het bestaan ervan doet veronderstellen, of omdat de luisteraar de nodige parate kennis heeft:

  • Mi aĉetis aŭton, sed la motoro ne funkcias. - Ik heb een auto gekocht, maar de motor werkt niet.

    De motor wordt niet rechtstreeks vermeld in het eerste deel van de zin, alleen de auto, maar omdat elke auto normaal gezien een motor heeft, kan de luisteraar veronderstellen dat het om de motor gaat van de net vermelde auto. Men zou ook ĝia motoro kunnen zeggen, wat duidelijker is.

  • Mi manĝas per la buŝo kaj flaras per la nazo. - Ik eet met de mond en ruik door de neus.

    De luisteraar weet dat de spreker een mens is, en dat een mens een mond en een neus heeft. La buŝo en la nazo zijn hetzelfde als mia buŝo en mia nazo. Men zou la misschien kunnen weglaten, maar dan zou het een beetje klinken alsof de spreker betwijfelt of de luisteraar wel weet dat een mens een mond en een neus heeft.

Volledig beschreven

Een zinsdeel heeft epiteta of bijvoegsels, die doen veronderstellen, waarover het gaat:

  • Jen kuŝas la ĉapelo de la patro. - Daar ligt de hoed van (de) vader.

    Het bijvoegsel de la patro maakt duidelijk om welke hoed het gaat. Men laat verstaan, dat er slechts één hoed van vader bestaat. Moest men la niet gebruiken, zou men dus moeten veronderstellen dat het slechts één van de (meerdere) hoeden van de vader is.

  • Por la hodiaŭa tago mi ricevis duoblan pagon. - Voor vandaag kreeg ik een dubbel loon.

    Het epiteton hodiaŭa maakt helemaal duidelijk om welke dag het gaat.

  • Mi redonas al vi la monon, kiun vi pruntis al mi. - Ik geef je het geld terug, dat je me leende.

    De ondergeschikte zin kiun vi pruntis al mi maakt helemaal duidelijk, om welk geld het gaat.

  • Mi vojaĝis al la urbo Pekino. - Ik ben op reis geweest naar de stad Beijing.

    De naam Pekino identificeert de stad ondubbelzinnig.

Rechtstreeks gezien

Iets kan gekend zijn omdat de luisteraar het rechtstreeks ziet, of op een andere manier merkt:

  • La domo estas vere bela. - Het huis is echt mooi.

    Zo kan men het formuleren, als de gesprekspartners beide het huis hebben gezien.

  • La floroj odoras tre bone. - De bloemen geuren heel goed.

    Zo kan het geformuleerd worden, als de luisteraar zelf de bloemen ziet of ruikt, en dus gemakkelijk begrijpt, om welke bloemen het gaat.

Algemeen bekend, uniek

Iets kan gekend zijn, omdat het totaal uniek is, omdat maar één dergelijk iets bestaat, of omdat het zo briljant of bijzonder is, dat het alleen maar daarnaar kan verwijzen:

  • La ĉielo estas blua. - De hemel is blauw.

    Iedereen weet, dat er een hemel bestaat. Men kan hem dus eenvoudig benoemen met la ĉielo.

  • La prezidanto de Usono diris, ke... - De president van de Verenigde Staten zei dat...

    De spreker veronderstelt, dat de luisteraar weet dat de VS een president hebben, en slechts één. Daarom kan men hem eenvoudig benoemen met la prezidanto de Usono.

Soorten

Dikwijls wordt een zelfstandig naamwoord gebruikt om te spreken over een soort, om aan te geven van welk soort iets is. Men kan het doen op verschillende manieren: zonder la, met la, in het enkel- of meervoud. Dikwijls kan men elk soort manier gebruiken naar believen of passend bij de stijl van de tekst.

Dikwijls gebruikt men geen bepalend woord, wanneer men het over een soort heeft. Men bekijkt de soort a.h.w. als een onbekend individu, of als een individu, waarvan de identiteit geen belang heeft:

  • Leono estas besto. - Een leeuw is een dier.

    Men bedoelt dat een leeuw één van de vele diersoorten is, niet een plantensoort of iets anders.

  • Rozo estas floro kaj kolombo estas birdo. - Een roos is een bloem en een duif is een vogel.

    Het gaat over soorten, niet individuen.

  • Karlo estas kuracisto. - Karel is dokter.

    Het woord kuracisto dient niet om te identificeren maar om aan te geven welk beroep Karel heeft.

  • Elizabeto estas patrino de tri infanoj. - Elisabeth is moeder van drie kinderen.

    Het zinsdeel patrino de tri infanoj wordt niet gebruikt om aan te geven wie Elisabeth is maar om duidelijk te maken welk soort mens zij is.

  • Akvo bolas je cent gradoj. - Water kookt op honderd graden.

    Men spreekt niet over een bepaalde hoeveelheid water, maar over de substantie water in het algemeen.

Soms bekijkt men een soort als een ingebeeld gekend individu, en dan gebruikt men la. Dat is vrij gebruikelijk in een formele of filosofische stijl. In dergelijke gevallen gaat het duidelijk over de hele soort:

  • La gitaro estas tre populara instrumento. - De gitaar is een zeer populair instrument.

    Men heeft het over een soort instrument alsof het ging om één bepaald gekend instrument. Ook mogelijk is: Gitaro estas...

  • La kato preferas varman klimaton. - De kat verkiest een warm klimaat.

    Men heeft het over een diersoort als een gekend individueel dier. Men zou ook kunnen zeggen: Kato preferas...

  • La urso troviĝas kaj en Eŭropo kaj en Ameriko. - De beer komt voor in Europa en Amerika.

    Het gezegde zou niet gelden voor één enkele beer. Daarom kan men niet zeggen: Urso troviĝas kaj en Eŭropo kaj en Ameriko.

  • La saĝulo havas siajn okulojn en la kapo, kaj la malsaĝulo iras en mallumo. La saĝulo = ĉiuj saĝuloj. La malsaĝulo = ĉiuj malsaĝuloj. - De wijze heeft ogen in (zijn) het hoofd, en de dwaze dwaalt in het donker. De wijze = alle wijzen. De dwaze = alle dwazen.

Als een zelfstandig naamwoord als predicaat voorkomt, moet men beslist la gebruiken, als het over een soort gaat: Karlo estas advokato. Als men zegt Karlo estas la advokato, dan is de betekenis "Karel is die bepaalde advocaat, die je kent" of "Karel is die advocaat, waarover wij nu praten" of iets dergelijks.

Als het gaat om iets telbaars, kan men een soort ook voorstellen door een woord in het meervoud. Als men het heeft over soorten, is het verschil tussen enkel- en meervoud dikwijls onbelangrijk:

  • Leonoj estas bestoj. = Leono estas besto.
  • Rozoj estas floroj kaj kolomboj estas birdoj.
  • La leonoj estas bestoj.
  • La rozoj estas floroj kaj la kolomboj estas birdoj.

Beperkingen op het gebruik van la

Gebruik la niet bij een zinsdeel, dat een ander bepalend woord heeft. Dat zijn bv. bezittelijke voornaamwoorden, tabelwoorden op U, A of ES, het woordje ambaŭ, en het halfbepalende unu:

  • Mia dorso doloras. - Mijn rug doet pijn.

    Niet: La mia dorso doloras. (Maar wel mogelijk is: la mia/via..., zonder erop volgende zelfstandig naamwoord.)

  • Tiu domo estas granda. - Dat huis is groot.

    Niet: La tiu domo estas granda.

  • Ĉiuj gastoj jam venis. - Alle gasten waren al gekomen.

    Niet: Ĉiuj la gastoj jam venis. Noch: La ĉiuj gastoj jam venis.

  • Mi ŝatas ĉiajn legomojn. - Ik hou van alle soorten groenten.

    Niet: Mi ŝatas la ĉiajn legomojn.

  • Kies gasto mi estas, ties feston mi festas. - Wiens gast men is, diens feest men viert.

    Niet: La kies gasto... la ties festo...

  • Mi legis ambaŭ librojn. - Ik heb beide boeken gelezen.

    Niet: Mi legis la ambaŭ librojn. Noch: Mi legis ambaŭ la librojn.

Gebruik la niet voor een gebiedende wijs:

  • Kelnero, alportu al mi glason da biero! - Ober, breng me een glas bier!

    Zeg niet: La kelnero, alportu...

La i.p.v. een bezittelijk voornaamwoord

Dikwijls gebruikt men la i.p.v. een bezittelijk voornaamwoord, als de context duidelijk aantoont wie de bezitter is. Dat gebeurt vooral dikwijls, als men het heeft over lichaamsdelen en verwanten:

  • Li levis la kapon. = Li levis sian kapon. - Hij hief het hoofd.=Hij hief zijn hoofd.
  • Mi montris per la fingro, kien li iru. = ...per mia fingro... - Ik toonde met de vinger, waarheen hij moest gaan.=...met mijn vinger.
  • Ŝi lavis al si la piedojn. = Ŝi lavis siajn piedojn. - Zij waste zich de voeten.=Zij waste haar voeten.
  • Ĉu Karlo venis kun la patro? = ...kun sia patro? - Kwam Karel met de vader?=...met zijn vader?
  • Diru al la patro, ke mi estas diligenta. La patro = mia patro (la patro de la parolanto)
    - Zeg aan (de) vader, dat ik ijverig ben. De vader=mijn vader (de vader van de spreker).

    Nochtans gebruikt men dikwijls de woorden Patro en Patrino (met een begin-hoofdletter) als eigennamen zonder la.

La i.p.v. ĉiuj

Als er geen gevaar voor misverstand is, kan men la gebruiken i.p.v. ĉiuj:

  • La gastoj eksidis ĉe la tablo.Ĉiuj gastoj eksidis... - De gasten gingen aan tafel.≈ Alle gasten
  • Ĉi-vespere la Angloj prezentos teatraĵon en la kongresejo. La Anglojĉiuj Angloj. - Vanavond geven de Engelsen een theatervoorstelling in het Kongrescentrum. De Engelsen ≈ alle Engelsen.

    De situatie (het congres) begrenst de betekenis van alle Engelsen. Het gaat over (ongeveer) alle Engelsen, die deelnemen aan het congres, en niet over alle Engelsen van de wereld.

La voor namen van talen

La wordt gebruikt voor namen van talen, die bestaan uit een bijvoeglijk naamwoord samen met het woord lingvo (dikwijls onderverstaan). Men gebruikt la, omdat men een taal als iets uniek beschouwt: la Angla (lingvo), la Ĉina (lingvo), la Nederlanda (lingvo) e.d. Maar men moet la niet gebruiken bij die enkele talen, die een eigen zelfstandig-naamwoord-vorm hebben, bv. Esperanto, Sanskrito, Ido, Volapuko e.d.

La voor plej en malplej

Wanneer plej of malplej in de zin staat, gaat het normaal gezien over iets uniek, en gebruikt men la:

  • La malfeliĉa infano forkuris kaj kaŝis sin en la plej proksima arbaro. - Het ongelukkige kind liep weg en verborg zich in het meest nabije bos.
  • Li estas tre kredema: eĉ la plej nekredeblajn aferojn, kiujn rakontas al li la plej nekredindaj homoj, li tuj kredas. - Hij is heel lichtgelovig: zelfs de meest ongelooflijke zaken, die de meest ongeloofwaardige mensen hem vertelden, geloofde hij direct.

Als het gaat over een vergelijking tussen twee individuen of twee groepen, gebruikt men gewoonlijk la (mal)pli i.p.v. la (mal)plej:

  • Unu vidvino havis du filinojn. La pli maljuna [filino] estis tiel simila al la patrino per sia karaktero kaj vizaĝo, ke ĉiu, kiu ŝin vidis, povis pensi, ke li vidas la patrinon. - Een weduwe had twee dochters. De oudste [dochter] geleek zo op de moeder qua karakter en gezicht, dat iedereen, die haar zag, kon denken dat hij de moeder zag.

Soms verwijst plej niet naar iets unieks, maar naar de hoogste graad van eigenschap of wijze. In dat geval gebruikt men la niet:

  • vulpo plej ruza fine estas kaptata. - Zelfs de meest listige vos wordt uiteindelijk gevat.

    Het gaat niet over een zekere gekende vos, maar over om het even welke uiterst listige vos.

  • Li estas plej laca en la mateno. - Hij is meest moe in de morgen.

    Het gaat niet over een vergelijking tussen diverse personen maar over een vergelijking tussen verschillende vermoeidheden van éénzelfde persoon op verschillende tijdstippen.

  • Kiu venas plej frue, sidas plej ĝue. - Wie het vroegst komt, zit het meest 'op rozen'.

    Plej staat niet voor een zelfstandig-naamwoord-zinsdeel, maar voor een bijwoordelijk zinsdeel.

La bij eigennamen

Gebruik la niet bij een eigennaam, want zo'n namen zijn zo al duidelijk gedefiniëerd:

  • Pasintjare mi vojaĝis al Kanado. - Vorig jaar ben ik naar Canada gereisd.

    Zeg niet:...al la Kanado.

  • Kie estas Francisko? - Waar is Franciscus?

    Zeg niet Kie estas la Francisko?

Bij gewone woorden, die eigennamen worden, gebruikt men normaliter la, omdat die woorden niet vanzelf duidelijk gedefiniëerd zijn:

  • Kaj tiam la Nokto diris: "Tenu vin dekstre kaj eniru en la malluman pinarbaron, mi vidis, ke tien foriris la Morto kun via malgranda infano." - En dan zei de Nacht:" Hou rechts en ga het donkere pijnboombos in, ik zag dat de Dood erheen ging met je kleine kind."

    De nacht en de dood spelen in een sprookje de rol van personen met eigennamen (dat wordt aangegeven door de hoofdletter), maar nokto en morto zijn gewone zelfstandige naamwoorden, en vereisen dus la.

Als een gewone eigennaam een bijvoeglijk naamwoord als epiteton heeft, en als dergelijk bijvoeglijk naamwoord geen onderdeel is van de eigennaam, gebruikt men normaliter la. Dat doet men vooral, als het gaat over de keuze (echte of schijnbare) tussen verschillende zaken met dezelfde naam:

  • Duoble montriĝis la bildo de Venero, de la surtera Venero. - Het beeld van Venero, van de aardse Venero, toonde zich dubbel.

    Venero is een eigennaam van een godin. Eerst staat er Venero zonder la, volgens de basisregels voor normale eigennamen. Daarna komt het epiteton surtera, en moet men la gebruiken om de bepaaldheid te tonen. Het gaat a.h.w. over twee verschillende Venero's, de hemelse Venero en de aardse Venero.

  • Ĉiuj konas Londonon, la ĉefurbon de Britio, sed ne ĉiuj konas la aliajn Londonojn en Usono kaj Kanado. - Iedereen kent Londen, de hoofdstad van Groot-Brittannië, maar niet iedereen kent de andere London's in de VS en Canada.

    Londono heeft la niet. De uitdrukking aliaj Londonoj heeft nochtans het epiteton aliaj, en krijgt dus ook la.

  • Multaj vizitis Londonon, la ĉefurbon de Britio, sed mi vizitis ankaŭ aliajn Londonojn. - Velen hebben Londen, de hoofdstad van Groot-Brittannië, bezocht maar ik heb ook alle andere London's bezocht.

    Ook hier heeft Londono een epiteton, maar men mag la niet gebruiken, omdat het niet gaat over alle andere London's, en de luisteraar kan ook niet precies weten, over welke London's het gaat.

Andere bepalende woorden dan la kunnen bij alle soorten eigennamen voorkomen, maar slechts zelden bestaat er behoefte aan dergelijke uitdrukkingen:

  • Ha, tie vi estas, mia Elizabeto! - Ha, daar ben je, mijn Elisabeth!
  • Ĉu vi sentas teruron antaŭ tiu Karolo? - Voel je angst voor die Karel?

Halfbepalend unu

Bepaalde talen gebruiken een bijzonder, onbepalend lidwoord, dat dikwijls een woord is dat gelijkt op het telwoord unu. Toch is een onbepalend lidwoord totaal onbestaande in het Esperanto. Volledige onbepaaldheid geeft men eenvoudigweg aan door het niet-gebruik van een bepalend woord. Maar men gebruikt unu soms als een halfbepalend lidwoord. Dit unu verwijst niet naar een aantal, maar naar een individualiteit. Het geeft aan dat het gaat over iets dat onbekend is voor de luisteraar, maar bekend bij de spreker:

  • Unu vidvino havis du filinojn. - Een weduwe had twee dochters.

    Het begin van een sprookje. Alleen nog maar de verteller kent de weduwe.

  • Unu vesperon fariĝis granda uragano. - Op een avond stak er er een grote orkaan op.

Het halfbepalend lidwoord unu is nochtans nooit verplicht. Het is een nuancerend woord, dat men naar behoefte gebruikt.

Terug naar boven