Naar de inhoud

Pli, plej

Om graden van vergelijking aan te geven gebruikt men pli en plej, die normaal bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden beschrijven, maar ook andere woorden.

Pli

Pli geeft aan, dat de beschreven eigenschap, manier, handeling e.d., iets anders overtreffen, waarmee men vergelijkt. Om aan te geven, wat een pli-uitdrukking overtreft, gebruikt men het 'woordje' ol:

  • La papero estas tre blanka, sed la neĝo estas pli blanka. - Het papier is wit, maar de sneeuw is witter.

    De witheid van de sneeuw overtreft die van het papier.

  • Mi havas pli freŝan panon, ol vi. - Ik hebben verser brood, dan jij.

    De versheid van mijn brood overtreft de versheid van jouw brood.

  • Nu, iru pli rapide! - Nou, stap sneller!

    Jullie snelheid moet de huidige snelheid overtreffen.

  • Du homoj povas pli multe fari ol unu. - Twee mensen kunnen meer doen dan één.

    De hoeveelheid [werk], die twee mensen doen, overtreft de hoeveelheid, die één mens kan doen.

  • Mia frato diris al Stefano, ke li amas lin pli, ol sin mem. - Mijn broer zei tegen Stefaan, dat hij meer van hem hield, dan zichzelf.

    De broer hield zowel van Stefaan, als van zichzelf, maar zijn liefde voor Stefaan overtreft zijn eigenliefde.

  • Mieno lia montris pli suferon, sed ne koleron. - Uit zijn gezichtsuitdrukking sprak meer leed dan woede.

    De gezichtsuitdrukking vertoonde verschillende zaken, maar meest van al.

  • Ĝi eĉ unu minuton pli ne povus elteni. Pli = pli longe. - Het kon het zelfs geen volgende minuut meer volhouden. Meer=langer.
  • Restas ĉirkaŭ dek personoj, ne pli. Pli = pli multaj. - Er bleven tien personen, niet meer.

Verwar pli niet met het 'woordje' plu, dat aangeeft dat de handeling of toestand nietophoudt, maar voortduurt. Plu is een tijd-'woordje': Hou het verder geheim. = Stop niet met het geheim te houden. Ga verder met het geheim houden. Wij houden niet op met werken, maar deden onze taken verder. Ik hou verder van jou tot de dood.

Pli kan tijd aangeven alleen als er een ander tijd-'woordje' staat of wordt onderverstaan:

  • Li rakontis plu. = Li daŭrigis sian rakontadon. - Hij vertelde verder.=Hij zette zijn verhaal verder.
  • Li rakontis pli. = Li rakontis pli multe da aferoj. - Hij vertelde verder.=Hij vertelde meer zaken.
  • Li ne vivos plu. = Li ne vivos pli longe. - Hij zal niet verder lieven.=Hij zal niet langer leven.
  • Mi pensas, ke ĝi estos konstruata pli [longe] ol tri jarojn. - Ik denk, dat het zal gedurende meer [langer] dan drie jaar gebouwd worden.

    Hier is plu niet correct, want er volgt een ol-uitdrukking, dat pli of een gelijkaardig woord vereist.

Plej

Plej geeft aan, dat de beschreven eigenschap, manier, handeling e.d., alle andere, waarmee men vergelijkt, overtreft. Dit kan zijn: alle anderen, die bestaan, of alle anderen binnen de context:

  • Aŭgusto estas mia plej amata filo. - August is mijn meest geliefde zoon.

    Er bestaat geen zoon, die ik meer liefheb.

  • Ŝi prenis la plej belan arĝentan vazon, kiu estis en la loĝejo. - Zij nam de mooiste zilveren vaas, die er was in de woning.

    Een mooiere vaas bestond daar niet.

  • Li estas tre ekkolerema kaj ekscitiĝas ofte ĉe la plej malgranda bagatelo. - Hij is zeer opvliegend en windt zich op bij de kleinste bagatel.
  • Li ekaŭdis bruan tonon, kiu povis ektimigi la koron eĉ de plej kuraĝa viro. - Hij hoorde plots een lawaai, dat het hart van zelfs de meest moedige man zou opschrikken.
  • Plej multe li amas, ke oni lin bone akceptu, ke la regalado estu bona. = Li plej amas, ke... - Het liefst heeft hij, dat men hem goed ontvangt, dat het onthaal goed is.=Hij heeft het liefst, dat...

Om de groep aan te geven, binnen dewelke de plej-uitdrukking geldt, gebruikt men normaliter het voorzetsel el: Zij is de verstandigste van allen, dieik ken. Men kan ook aangeven, waar een plej-uitdrukking geldt, met en, sur, inter of een ander voorzetsel van plaats: Het is het hoogste gebergte in Azio.

Wanneer men twee zaken vergelijkt, verdwijnt het verschil tussen la pli en la plej. Als één van twee zaken groter is dan het andere, is het automatisch ook het grootste van de twee:

  • Ĝi estas la pli bona el la du. = Ĝi estas la plej bona el la du. - Het is het beste van de twee.=Het is de beste van de twee.

Als men zegt la pli, kunnen er slechts twee vergeleken zaken zijn, en men hoeft "el la du" niet toe te voegen:

  • Ŝi estas la pli aĝa. = Ŝi estas la plej aĝa el la du. - Zij is de oudste.= Zij is de oudste van de twee.

Maar in sommige contexten zijn er niet noodzakelijk twee: Is dit één van jouw jongere zussen? Nee, zij is de oudste.4} Zij is diegene van mijn vele zussen, die ouder is dan ik.

Velen zijn zelfs van mening, dat men la pli moet gebruiken, wanneer men twee zaken vergelijkt, en dat la plej dan fout is. In elk geval is het dikwijls eleganter om la pli te gebruiken.

Malpli, malplej

Om te vergelijken kan men ook de vormen malpli en malplej gebruiken:

  • Via pano estas malpli freŝa, ol mia....pli malfreŝa... - Jouw brood is minder vers, dan het mijne.≈ ...meer oudbakken...
  • La amaso kuris malpli rapide ol la veturilo, kiu ruliĝis tre rapide....pli malrapide... - De massa liep minder snel dan het voertuig, dat zeer snel reed.≈ ...trager...
  • Ĝuste tie troviĝas unu loko, kiu, estante malplej facile komprenebla, malplej bone aperis en la traduko....plej malfacile... ...plej malbone... - Precies daar was er een plaats, die omdat ze minst gemakkelijk te begrijpen was, het minst goed overkwam in de vertaling. ≈ ...het moeilijkst... ...het slechts...
  • Tiu estas la malplej taŭga el ĉiuj....plej maltaŭga... - Dat is de minst geschikte van allemaal. ≈ ...meest ongeschikte...
  • Li estas la malpli aĝa frato (el la du fratoj)....la pli juna... - Hij is de minst oude broer (van de twee). ≈ ...de jongere...

Soms kan men het MAL-prefix naar believen verplaatsen binnen een dergelijke zin, maar dikwijls is er een nuanceverschil. Het verschil kan zelfs heel groot zijn: Li estas malpli bela ol vi. Li estas pli malbela ol vi. De eerste variant is een compliment. De tweede is een belediging.

Kiel eble plej

De uitdrukking kiel eble plej drukt de wens uit om iets te maximaliseren. Het geeft aan, dat men alle mogelijkheden moet gebruiken om de hoogste graad te bereiken:

  • La vortaro devis havi amplekson kiel eble plej malgrandan. - Het woordenboek moet een zo klein mogelijke omvang hebben.

    Hoe kleiner, hoe beter.

  • Diru kiel eble plej rapide, per kio mi povas esti utila al vi! - Zeg zo snel mogelijk, waarmee ik je van dienst kan zijn!

    Gebruik je maximale snelheid.

Een andere populaire variant is plejeble: Faru tion plejeble rapide!

Verwar kiel eble plej niet metkiom eble (plej/pli), die een beperkende nuance heeft. Terwijl kiel eble plej aanspoort to maximalisatie, geeft kiom eble (pli/plej) aan, dat er beperkingen zijn van de mogelijkheden:

  • Estas dezirinde ke ĉiuj uzu la novajn vortojn kiom eble egale. - Het is wenselijk dat iedereen de nieuwe woorden zo gelijk mogelijk gebruikt.

    Volkomen gelijkheid is wellicht niet mogelijk.

  • Mi kiom eble evitas tiun vorton. = Mi vere provas eviti tiun vorton, sed povas esti, ke tio ne ĉiam eblas. - Ik vermijd zoveel mogelijk dat woord.=Ik probeer dat woord echt te vermijden, maar het kan zijn, dat dat niet altijd mogelijk is.
  • Li devas — kiom tio estas ebla — uzi lingvon kiom eble plej neŭtralan. - Hij moet — voor zover dit mogelijk is — een zo neutraal mogelijke taal gebruiken.

Een andere variante met een beperkende nuance is laŭeble plej.

Kiel en ol

Met de 'woordjes' kiel en ol kan men aangeven, waarmee men vergelijkt. Bij een dergelijk gebruik gelijken kiel en ol op voorzetsels, maar ook op onderschikkende voegwoorden. Men kan zeggen, dat ze een aparte woordcategorie vormen: vergelijkende 'woordjes'.

Met kiel maakt men gelijkheids-vergelijkingen, die aangeven waarop iets gelijkt. Kiel kan samengaan met een TI-woord of met sama/same, maar dikwijls wordt zo'n woord onderverstaan:

  • Tiu ĉi malfreŝa pano estas malmola, kiel ŝtono. - Dit oudbakken brood is hard, als steen.

    De hardheid van het brood gelijkt op de hardheid van steen.

  • Ŝiaj okuloj estis kiel du steloj. = Ŝiaj okuloj similis al du steloj. - Haar ogen waren net twee sterren.= Haar ogen geleken op twee sterren.
  • Nia regimentestro estas por siaj soldatoj kiel bona patro. - Onze regimentscommandant was voor zijn soldaten als een goede vader.
  • Mi ĝojas, ke vi havas tian saman opinion, kiel mi. - Het doet mij plezier, dat jij dezelfde mening hebt, als ik.
  • Li estis kiel senviva. = Lia eco similis al senviveco. - Hij was net levenloos.= Zijn eigenschap geleek op levenloosheid.
  • Sentu vin tute kiel hejme. - Voel je net zoals thuis.
  • Diskuti kun li estas same senutile, kiel draŝi venton. - Met hem discussiëren is even nutteloos, als de wind dorsen.
  • Mi zorgas pri ŝi tiel, kiel mi zorgas pri mi mem. - Ik zorg voor haar, alsof ik voor mezelf zorg.
  • La afero ne estas tia, kiel oni pensas. - De zaak is niet zoals men denkt.

Met ol maakt men 'ongelijkheid'-vergelijkingen, die aangeven waarvan iets verschilt. Ol gaat normaal samen met pli, malpli, malsama, malsame, alia of alie:

  • Lakto estas pli nutra, ol vino. = Lakto malsimilas al vino laŭ la nutreco. - Melk is voedzamer, dan wijn.= Melk verschilt van wijn wat betreft voedzaamheid.
  • Mi havas pli freŝan panon, ol vi. = Se oni komparas kun vi (kun la pano, kiun vi havas), mi havas pli freŝan panon. - Ik heb verser brood,dan jij.= Als men vergelijkt met jou (met het brood, dat jij hebt), heb ik verser brood.
  • Vi estas pli ol beleta, vi estas bela! - Jij bent meer dan toonbaar, jij bent mooi!
  • Ŝi estis ankoraŭ pli bela ol antaŭe. - Zij is nog mooier dan voorheen.
  • Pli bone ne fari, ol erari. - Beter niet doen, dan fout doen.
  • Ĝi estis al mi pli kara, ol mi povas diri. - Het is mij dierbaarder, dan ik kan zeggen.

Bij preferi (prefere, prefero e.a.) kan men het niet verkozene aangeven met één of ander 'woordje'. Voorafgaand aan een onbepaalde wijs gebruikt men ol, soms anstataŭ. Voorafgaand aan een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord gebruikt men normaliter al, maar ook antaŭ, kontraŭ en anstataŭ zijn mogelijk:

  • Tiam Dio inspiris al mi la ideon ekbruligi mian liton, prefere neniigi mian domon per fajro, ol permesi, ke la granda amaso da homoj mizere pereu. - Dan blies God mij het idee in om mijn bed in brand te steken, liever dan mijn huis te vernielen door brand, of toe te laten, dat de grote massa mensen in ellende ten onder ging.
  • Mia edzino preparas manĝojn, kiujn mi certe preferas al la manĝoj el la kuirejoj de la plej bonaj hoteloj. - Mijn echtgenote bereidt maaltijden, die ik zeker verkies boven maaltijden uit de keukens van de beste hotels.
  • Li ne atentas la vizaĝon de princoj, kaj ne preferas riĉulon antaŭ malriĉulo. - Hij lette niet op de het gezicht van de prins, en verkiest een rijke niet boven een arme.
  • Preferos la morton ol la vivon ĉiuj restintoj. = ...ol elekti la vivon... - Alle overgeblevenen verkozen de dood boven het leven.= ...dan dat ze het leven verkozen...

    Ol slaat op een onderverstane onbepaalde wijs. Daarom gebruikt men ol.

Kiel en ol samen met functiekenmerken

Als na een vergelijkend kiel of ol een naamwoordelijk zinsdeel (of voonaamwoord) zonder functiekenmerk voorkomt, slaat de vergelijking op het onderwerp van de zin. De kiel-zaak of ol-zaak is op een bepaalde manier onderwerp in de zinsidee. Een dergelijke kiel-uitdrukking of ol-uitdrukking kan ook beantwoorden aan een andere functie in de zin, die geen functiekenmerk heeft, bv. een predicaief.

Als een dergelijke vergelijkende uitdrukking moet begrepen worden als een object of een bepaling, moet men een functiekenmerk gebruiken om dat aan te geven:

  • Mi elektis lin kiel prezidanto. - Ik verkoos hem als president.

    Volgende idee wordt onderverstaan: Een president verkoos hem. De president was ik, het onderwerp van de zin.

  • Mi elektis lin kiel prezidanton. - Ik verkoos hem tot president.

    Volgend idee wordt onderverstaan: Ik verkoos een president. President werd hij, het object van de zin.

  • Li amos sian landon pli ol ĉiuj aliaj landoj. (Ĉiuj aliaj landoj amos lian landon malpli.) - Hij zal zijn land meer liefhebben dan alle andere landen [het liefhebben ](Alle andere landen zullen zijn land minder liefhebben.)
  • Li amos sian landon pli ol ĉiujn aliajn landojn. (Li amos ĉiujn aliajn landojn malpli.) - Hij zal zijn land meer dan andere landen liefhebben. (Hij zal alle andere landen minder liefhebben.)
  • Tie la suno lumis multe pli hele ol ni. (Ni lumis malpli hele.) - Daar scheen de zon veel helderder dan wij [deden]. (Wij schenen minder helder.)
  • Tie la suno lumis multe pli hele ol ĉe ni. (Ĉe ni la suno lumis malpli hele.) - Daar scheen de zon veel helderder dan bij ons. (Bij ons scheen de zon minder helder.)
  • Li uzas Esperanton, kiel sekretan lingvon. (Li uzas sekretan lingvon.) - Hij gebruikt Esperanto, als een geheimtaal. (Hij gebruikt een geheimtaal.)
  • Ŝi havas multe da ne-Esperantistoj kiel amikojn. (Ŝi havas amikojn.) - Zij heeft veel niet-Esperantisten als vrienden. (Zij heeft vrienden.)
  • Al vi kiel al esperantistoj mi volas nur diri, ke terure altaj kaj dikaj estas ankoraŭ la interpopolaj muroj. (Mi diros tion al esperantistoj.) - Tot jou zoals tot Esperantisten wil ik maar zeggen, dat de muren tussen volkeren nog vreselijk hoog en dik zijn. (Ik zal dat zeggen tot esperantisten.)
  • Estis tie tiel lume, preskaŭ kiel dum la tago. (Dum la tago estas tiel lume.) - Het was zo klaar, bijna als bij dag. (Bij dag is het zo klaar).
  • Mia frato diris al Stefano, ke li amas lin pli, ol sin mem. (Li amas sin mem.) - Mijn broer zei tot Stefaan, dat hij hem meer liefheeft, dan zichzelf. (Hij heeft zichzelf lief.)
  • Estas ja pli bone havi ion, ol nenion. (Oni povus havi nenion.) - Het is immers beter iets te hebben, dan niets. (Men zou niets kunnen hebben.)
  • Neniam mi amis lin pli multe, ol en la tago, kiam li de tie ĉi forveturis. (En tiu tago mi amis lin multe.) - Nooit zag ik hem liever, dan de dag, dat hij van hier wegreed.(Op die dag zag ik hem erg graag).
  • Antono devis pensi pri io alia ol pri sia ama aflikto. (Li ne pensu nur pri sia ama aflikto.) - Anton moest aan aan iets anders denken dan aan zijn eigen liefdesverdriet. (Hij moet niet alleen denken aan zijn liefdesverdriet.)

Soms slaat een kiel- of ol-uitdrukking alleen op het epiteton van een woord. Als zo'n epiteton een N-uitgang heeft, betekent dit niet dat de vergelijkende uitdrukking een N-uitgang moet hebben, want de vergelijkende uitdrukking is geen object in een verzwegen zin:

  • Li uzas domon grandan kiel palaco.Li uzas domon. La domo estas granda kiel palaco. - Hij gebruikt een huis zo groot als een paleis. ≈Hij gebruikt een huis. Het huis is groot als een paleis.

    De vergelijking slaat enkel op de omvang van het huis. Vergelijk met: Hij gebruikt een groot huis als een paleis. (Hij gebruikt een paleis.)

  • Mi neniam renkontis homon (tian) kiel ŝi.Mi ne renkontis homon, kiu estas simila al ŝi. - Ik heb nooit (zo) een mens ontmoet als zhij.≈ Ik ontmoette nooit een mens, die gelijkaardig is aan haar.
  • Ĝi havas du okulojn tiel grandajn, kiel du tasoj.La okuloj estas tiel grandaj kiel du tasoj. - Het heeft twee ogen zo groot, als twee koppen. ≈ De ogen zijn zo groot als twee koppen.
  • Li lernis gravajn lingvojn, kiel la Angla lingvo kaj la Franca. (La Angla lingvo kaj la Franca estas tiaj gravaj lingvoj.) - Hij leerde belangrijke talen, zoals Engels en Frans. (Engels en Frans zijn zo'n belangrijke talen.)

    Engels en Frans zijn voorbeelden van dat soort talen, die hij leerde. Misschien leerde hij niet precies die talen.

  • Mi havas alian proponon, ol la ĵus prezentita. (Mia propono estas alia, ol la ĵus prezentita.) - Ik heb een ander voorstel, dan het net geuite. (Mijn voorstel is een andere, dan hetgeen net geuit werd.
  • Li havas korpon pli larĝan ol alta. = ... pli larĝan ol ĝi estas alta. - Hij heeft een lijf, breder dan hoog.=...breder dan het hoog is.

Identificerende en fungerend kiel

Normaliter geeft een vergelijkend kiel een vorm van gelijkaardigheid aan (...tia kiel..., ...tiel kiel... k.s.), maar soms wijst het ook op een identiteit of een functie. In dat geval betekent kiel "zijnde, de functie hebbende van" of gelijkaardig:

  • Mi elektis lin kiel prezidanto. = ...estante prezidanto. ...en mia rolo de prezidanto., ...ĉar mi estas prezidanto. - Ik verkoos hem als president. = ...president zijnde ...in mijn functie van president., ...omdat ik president ben.
  • Ŝi estus bona por mi kiel edzino! = ...estante edzino! ...en edzina rolo! - Zij zou goed geweest zijn voor mij als echtgenote! = ...echtgenote zijnde! ...in de rol van echtgenote!
  • Li naskiĝis kiel Franco, sed mortis kiel homarano. - Hij werd geboren in Frankrijk, maar stierf als wereldburger.

    Hij was Fransman, toen hij geboren werd, maar wereldburger, toen hij stierf.

Alleen de context kan aangeven, of kiel een gelijkaardigheid, identiteit of functie aangeeft.

Vergelijkende uitdrukkingen - afgekorte zinnen?

Dikwijls kan men een vergelijkende kiel-uitdrukking vervangen door een volledige ondergeschikte zin met een predicaat, maar dat is niet altijd mogelijk:

  • Li uzas sian hejmon kiel laborejon.Li uzas sian hejmon (tiel), kiel oni uzas laborejon. - Hij gebruikt zijn huis als werkplaats. → Hij gebruikt zijn huis (zo), als men een werkplaats gebruikt.

    De volledige kiel-zin heeft dezelfde betekenis als de vergelijkende kiel-uitdrukking.

  • Mi elektis ŝin kiel prezidanton.Mi elektis ŝin (tiel), kiel oni elektas prezidanton. - Ik verkoos haar tot president. → Ik verkoos haar (zo),als men een president verkiest.

    De volledige kiel-zin heeft een andere betekenis dan de vergelijkende uitdrukking. De vergelijkende uitdrukking informeert over de baan die ze kreeg. De kiel-zin geeft aan op welke manier men haar verkoos.

Vergelijkende kiel-uitdrukkingen zijn dus niet (altijd) afgekorte ondergeschikte zinnen.

Sommigen denken, dat men altijd het KI-woord moet gebruiken dat men in de volledige zin zou gebruiken. Zij gebruiken dan dikwijls kia(j)(n) i.p.v. kiel om een 'gelijkheids'-vergelijking aan te geven. Een dergelijk gebruik is ongebruikelijk en af te raden. Bovendien kan het soms erg onelegant overkomen:

  • Li vizitis tiajn urbojn, kia estas Parizo. - Hij bezocht steden, zoals Parijs er één is.Li vizitis (tiajn) urbojn kia Parizo.

    Zeg liever: Li vizitis (tiajn) urbojn kiel Parizo.

  • Li loĝas en la sama urbo, en kiu mi loĝas. - Hij woont in dezelfde stad, waar ik woon.Li loĝas en la sama urbo, en kiu mi.

    Zeg liever: Li loĝas en la sama urbo kiel mi.

  • Li naskiĝis en la sama tago kaj en la sama loko, kiam kaj kie mi naskiĝis. - Hij werd geboren op dezelfde dag en plaats, toen en waar ik geboren ben.Li naskiĝis en la sama tago kaj en la sama loko, kiam kaj kie mi.

    Zeg liever: Li naskiĝis en la sama tago kaj (en la sama) loko kiel mi.

  • Emilio havis sur si eĉ la saman veston, kiun ŝi tiam havis sur si. - Emilia droeg zelfs hetzelfde kledingstuk, dat ze destijds droeg.Emilio havis sur si eĉ la saman veston kiun tiam.

    Zeg zoals Zamenhof: Emilio havis sur si eĉ la saman veston kiel tiam.

Als een vergelijkende uitdrukking een volledige ondergeschikte zin is, kan men die inleiden met kia, kiu, kiam enz..., maar als een vergelijkende uitdrukking het enige zinsdeel is (of bestaat uit enkele zinsdelen zonder predicaat), moet men het vergelijkende kiel gebruiken.

Kvazaŭ

In gelijkaardige vergelijkingen kan men kvazaŭ gebruiken i.p.v. het vergelijkende kiel, als de gelijkheid slechts schijn is, niet echt, en men dit wil benadrukken:

  • Dum momento li staris senmova, kvazaŭ ŝtoniĝinta. - Een ogenblik stond hij roerloos, a.h.w. versteend.

    Hij was niet echt versteend.

  • Silente li migris tra la lando, kiu aperis al li kvazaŭ abunda fruktoĝardeno. - In stilte trok hij door het land, dat bij hem overkwam als een overvloedige boomgaard.
  • Ĉiu statuo sur la riĉaj sarkofagoj ŝajnis kvazaŭ ricevinta vivon. - Elk standbeeld op de rijkelijke sarcofagen zag eruit alsof het tot leven was gekomen.

Soms moet men een N-uitgang (of een ander functiekenmerk) gebruiken na het vergelijkende kvazaŭ net als bij het vergelijkende kiel: Thyestes roofde de zoon van Atreus en voedde hem op alsof het zijn eigen zoon was.

Terug naar boven