Naar de inhoud

Voorzetsels zijn woordjes, die men voor een uitdrukking zet om de functie van die uitdrukking in de zin aan te geven.

Voorzetsels staan normaal voor zelfstandige naamwoorden of voornaamwoorden, maar ook voor werkwoorden in de onbepaalde wijs, ondergeschikte zinnen en bijwoorden van hoeveelheid. Een enkele keer gebruikt men voorzetsels voor bijwoorden van plaats of van tijd. Het voorzetsel preciseert dan de betekenis van de plaats of tijd nader.

De volgende woordjes zijn voorzetsels: al, anstataŭ, antaŭ, apud, ĉe, ĉirkaŭ, da, de, dum, ekster, el, en, ĝis, inter, je, kontraŭ, krom, kun, laŭ, malgraŭ, per, po, por, post, preter, pri, pro, sen, sub, super, sur, tra en trans:

Zelfstandige voorzetsels

Na een voorzetsel staat normaal een uitdrukking, waarop het voorzetsel slaat. Zonder die daaropvolgende uitdrukking, heeft een voorzetsel geen zin: sur la tablo, en mia domo, ekster tiu ĉi ĉambro, dum la paŭzo, anstataŭ tio, krom Petro enz...

Als men woorden wil weglaten na een voorzetsel (d.w.z. ze erbij denken), moet men het voorzetsel met E-uitgang gebruiken, want dan wordt het voorzetsel een op zichzelf staand zinsdeel, dat dienst doet als bijwoord:

  • Li staras apud mi.Li staras apude. - Hij staat bij mij. → Hij staat nabij.
  • Ŝi sidas ekster la domo.Ŝi sidas ekstere. - Zij zit buiten het huis. → Zij zit buiten.
  • Tio okazis dum la paŭzo.Tio okazis dume. - Dat gebeurde tijdens de pauze. → Dat gebeurde ondertussen.
  • Tio okazos post la kongreso.Tio okazos poste. - Dat zal gebeuren na het congres. → Dat zal nadien gebeuren.

Als een dergelijk bijwoord een plaats aangeeft, kan het, om een beweging naar de plaats uit te drukken, de N-uitgang krijgen.

  • Li sidas ekster la domo.Li sidas ekstere.Li iras eksteren. = ...al ekstera loko (al loko ekster la domo). - Hij zat buiten het huis. → Hij zat buiten. → Hij ging (naar) buiten. = ...naar een plaats buiten (naar een plaats buiten het huis).

Een enkele keer wordt het originele zinsdeel als adjectief gebruikt. In dat geval kan men een A-uitgang na het voorzetsel accepteren.

  • Li loĝas en domo apud mia domo.Li loĝas en apuda domo. ...en domo apuda. - Hij woont in een huis nabij mijn huis. → Hij woont in een nabij huis. ...in een huis in de nabijheid.

Maar men kan ook een bijwoord van plaats of van tijd gebruiken in dergelijke gevallen: Li loĝas en domo apude. = Li loĝas en domo, kiu troviĝas apude.

Ial iuj prepozicioj apenaŭ aperas praktike kun E-finaĵo aŭ A-finaĵo. Oni ekz. preskaŭ neniam diras paroli prie = "paroli pri tio", iri dee = "iri de la koncerna loko", ala veturo = "veturo al la koncerna loko", proa agado = "agado pro tio".

Terug naar boven