Naar de inhoud

In Esperanto bestaan 45 woordjes, die tabelwoorden (of correlatieven) worden genoemd, omdat men ze in een tabel kan schikken naar vorm en betekenis.

Men kan zeggen, dat elk tabelwoord uit een begindeel en een einddeel bestaat, maar toch mag men ze niet beschouwen als samengestelde woorden. De tabelwoord-delen vormen een apart, gesloten systeem, dat men normaliter niet mag mengen met de gewone woordelementen in de taal.

Begindelen

KI-
vraagwoord, betrekkings-woord, uitroep-woord
TI-
aanwijzend woord
I-
onbepaald woord
ĈI-
allesomvattend woord
NENI-
ontkennend woord

Einddelen

-U
individu, individueel iets, individuele zaak
-O
zaak
-A
kenmerk, soort
-ES
bezitter (object of subject, naargelang van de context)
-E
plaats
-AM
tijdstip, keer (gelegenheid, voorwaarde)
-AL
oorzaak
-EL
wijze, graad
-OM
hoeveelheid (beklemtoonde graad)

Enkele einddelen gelijken op de gewone uitgangen, maar de betekenis is niet dezelfde:

  • De gewone zelfstandig-naamwoord-uitgang O en het tabelwoord-einddeel O hebben nagenoeg dezelfde betekenis, maar de tabelwoorden op O kunnen normaal gezien niet de meervoudsuitgang J krijgen.
  • De gewone uitgang U is een werkwoordsuitgang voor de volitief/gebiedende wijs, terwijl het tabelwoord-einddeel U wijst op individuen (of individuele zaken), d.w.z. totaal verschillende zaken.
  • De gewone bijvoeglijk-naamwoord-uitgang A is een algemene beschrijvende uitgang. Het geeft dikwijls een kenmerk of een kwaliteit aan, maar het kan ook wijzen op een 'behoren tot', een verband, een individualiteit e.d. Het tabelwoord-einddeel A geeft alleen een kenmerk of een soort aan.
  • De gewone bijwoordelijke uitgang E kan een wijze, tijdstip, plaats, maat, gelegenheid of nog andere zaken aangeven. Het tabelwoord-einddeel E betreft altijd een plaats.

KI-woorden

De tabelwoorden beginnend met KI worden vooral gebruikt als vraagwoorden en als betrekkingswoorden, maar ook als uitroep-woorden:

  • Kio estas tio? - Wat is dat?

    Vragend kio.

  • Kiu kuraĝas rajdi sur leono? - Wie durft er op een leeuw rijden?

    Vragend kiu.

  • Kiel vi fartas? - Hoe maak je het?

    Vragend kiel.

  • Fremdulo, diru, kiu kaj el kie vi estas. - Vreemdeling, zeg, wie en vanwaar je bent.

    Vragend kiu en kie.

  • La fera bastono, kiu kuŝis en la forno, estas nun brule varmega. - De ijzeren staaf, die in de oven lag, is nu brandend heet.

    Betrekkelijk kiu.

  • Kiam mi venis al li, li dormis. - Toen ik bij hem kwam, sliep hij.

    Betrekkelijk kiam.

  • Li estas tiu, kies monon vi prenis. - Hij is diegene, wiens geld je nam.

    Betrekkelijk kies.

  • Kia granda brulo! - Wat een grote brand!

    Een uitroepend kia.

  • Fi, kiel abomene! - Foei, hoe verwerpelijk!

    Een uitroepend kiel.

  • Kion mi vidas! - Wat zie ik!

    Uitroepend (en vragend) kio.

Het woordje ajn

Het bijwoordelijk woordje ajn verwijst nadrukkelijk naar onbepaaldheid of onverschilligheid. Ajn wordt voornamelijk gebruikt samen met betrekkings-KI-woorden, maar ook met I- en ĈI-woorden, soms met NENI-woorden. Ajn komt altijd na het betreffende tabelwoord:

  • Mi kondukos vin al ŝi, kie ajn ŝi estos trovebla! - Ik zal je naar haar leiden, waar ze ook te vinden is!

    Het heeft geen belang, waar zij te vinden zal zijn.

  • Kiu ajn ŝi estos, mi deziras al ŝi feliĉon! - Wie zij ook zal zijn, ik wens haar geluk!

    Het heeft geen belang, wie zij zal zijn.

  • Mi donis solenan promeson, ke mi silentos, ĝis mi revenos, kiam ajn tio ĉi fariĝos. - Ik beloofde plechtig, dat ik zou zwijgen, tot ik terugkwam, om het even wanneer dit zou gebeuren.
  • Ĉiam ajn vi estas bonvena ĉe mi. - Om het even wanneer ben je welkom bij mij.

    Kom, wanneer je wil.

  • Kial ŝi forlasis tiun lokon, en kiu ŝi havis ian ajn eblon, por ion ajn laborenspezi? - Waarom verliet zij die plaats, waar ze om het even welke mogelijkheid had, om om het even wat te verdienen?

    Zonder die plaats ontbreekt de mogelijkheid volledig.

  • Nenion ajn mi diros. - Ik zal in het geheel niks zeggen.

    Absoluut niks.

Voor ajn gebruikte Zamenhof soms, onder invloed van nationale talen, soms een betrekkelijk KI-woord, hoewel het logischer zou geweest zijn om een ĈI-woord of een I-woord te gebruiken. Als het niet gaat over de inleiding tot een ondergeschikte zin, hebben een ĈI-woord of een I-woord de voorkeur. Mi konsentas akcepti kian ajn pagon. Pli bone: ...ĉian ajn pagon...ian ajn pagon.

TI-woorden

De tabelwoorden beginnend met TI zijn aanwijzende woorden. Meestal geven ze iets aan dat voordien gezegd is of daarna gezegd zal worden. Zij kunnen ook verwijzen naar iets dat rechtstreeks wordt gezien, gehoord enz...:

  • Mi volas, ke tio, kion mi diris, estu vera. - Ik wil, dat (dat,) wat je zei, waar is.

    Tio verwijst naar iets dat voordien is gezegd.

  • Tio estas mia hejmo. - Dat is mijn thuis.

    Tio verwijst naar iets dat gezien wordt (en waar men misschien met de vinger naar wijst).

  • Li estas tiel dika, ke li ne povas trairi tra nia mallarĝa pordo. - Hij is zo dik, dat hij niet door onze smalle deur kan.

    Tiel verwijst naar de erop volgende ke-zin.

  • Kio estas, kio vin tiel afliktas? - Wat is er, wat maakt je zo triest?

    Tiel wijst op een zaak die men ziet of hoort.

  • Ŝi estis en tiu momento tre bela. - Zij is op dit moment heel mooi.

    Tiu wijst op een voorheen vermeld tijdstip.

  • Tiu ĉi malfreŝa pano estas malmola, kiel ŝtono. - Dit oudbakken brood is hard, als steen.

    Tiu ĉi wijst op een nabije zaak (het oudbakken brood).

11.4.1 Het woordje ĉi

Aan tabelwoorden beginnend met TI kan men het woordje ĉi verbinden, dat de nabijheid tot de spreker aangeeft. Ĉi kan ofwel voor, ofwel na het tabelwoord staan. Ĉi kan geen uitgang krijgen. Een eenvoudig TI-vorto verwijst altijd naar iets dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt. TI-vorto + ĉi verwijst naar iets dichtbij de spreker:

  • tie = op deze plaats → tie ĉi, ĉi tie = op deze plaats dicht bij mij
  • tiu domo (verwijderd van mij) → tiu ĉi domo, ĉi tiu domo (dicht bij mij)
  • tio = die (van mij verwijderde) zaak → tio ĉi, ĉi tio = deze zaak
  • tiel = op die manier → tiel ĉi, ĉi tiel = op deze manier (die men aangeeft)

Ĉi tiam of tiam ĉi worden in de praktijk nooit gebruikt. In de plaats daarvan gebruikt men nun.

Ĉi is een apart woord. Gebruik geen deelteken. Schrijf niet: ĉi-tiu, tiu-ĉi, ĉi-tie, tie-ĉi, ĉio-ĉi enz... Schrijf: ĉi tiu, tiu ĉi, ĉi tie, tie ĉi, ĉio ĉi enz...

Maar men maakt dikwijls een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord uit een zinsdeel, dat het woordje ĉi bevat. In dat geval wordt de volledige uitdrukking één woord. Normaliter verdwijnt het TI-woord. Voor de duidelijkheid plaatst men dan gewoonlijk een deelteken na ĉi: ĉi tieĉi-tiea, en tiu ĉi noktoĉi-nokte, sur ĉi tiu flankoĉi-flanke, la somero de tiu ĉi jarola ĉi-jara somero.

I-woorden

Tabelwoorden op I weerspiegelen niet gepreciseerde of onbekende zaken:

  • Ŝi ricevis ion por manĝi kaj por trinki. - Zij kreeg iets om te eten en te drinken.

    Men zegt niet, wat ze kreeg.

  • Venis iuj personoj, kiujn mi ne konas. - Er kwamen enkele personen, die ik niet ken.

    Men weet niet, wie de personen zijn..

  • Ili iam revenos. - Zij zullen ooit terugkomen.

    Het tijdstip is onbekend.

  • Hodiaŭ estas ies tago de naskiĝo. - Vandaag is het iemands verjaardag.

    Men zegt niet, wiens verjaardag het is.

ĈI-woorden

Tabelwoorden op ĈI hebben een allesomvattende betekenis:

  • Li faris ĉion per la dek fingroj de siaj manoj. - Hij deed alles met de tien vingers van zijn handen.

    Ĉio drukt uit: het geheel van de dingen, die men doet.

  • Ĉiu homo amas sin mem. - Elke mens houdt van zichzelf.

    Er bestaat geen enkele persoon, voor wie dat niet geldt.

  • Tiuj ĉi du amikoj promenas ĉiam duope. - Deze twee vrienden wandelen altijd per twee.

    Ĉiam geeft aan, dat het geen enkele keer gebeurt dat zij niet samen gaan.

  • Ĉie regis ĝojo. - Overal heerste vreugde.

    Er bestond geen plaats, waarin geen vreugde heerste.

Men gebruikt het woordje ĉi soms voor of na het tabelwoord beginnend met ĈI: ĉio = alle zaken → ĉio ĉi, ĉi ĉio = al deze zaken, dit alles.

NENI-woorden

Tabelwoorden beginnend met NENI hebben een ontkennende betekenis:

  • La tempon venontan neniu ankoraŭ konas. - De toekomst kent nog niemand.

    Neniu drukt uit, dat er geen enkele persoon bestaat, die de toekomst kent.

  • Mi neniel povas kompreni, kion vi parolas. - Ik kan op geen enkele wijze begrijpen, wat jij zegt.

    Neniel toont, dat er geen enkele manier is, waarop ik je zou kunnen begrijpen.

  • Kiam mi ien veturas, mi neniam prenas kun mi multon da pakaĵo. - Als ik ergens heen rij, neem ik nooit veel bagage mee.

    Neniam drukt uit, dat dat het geen enkele keer zou gebeuren dat ik veel bagage zou meenemen op reis.

Een NENI-woord volstaat om de hele zin te ontkennen.

Tabelwoorden op U

kiu
Vraagt naar de identiteit van één van meerdere gekende personen, dingen of zaken.
tiu
Verwijst naar één zekere van meerdere gekende personen, dingen of zaken.
iu
Verwijst naar een onbekende of onbepaalde individuele persoon, ding of zaak.
ĉiu
Verwijst elk afzonderlijk en zonder uitzondering naar de individuen uit een groep personen, dingen of zaken.
neniu
Ontkent de individuen van een groep personen, dingen of zaken.

De U-woorden verwijzen naar individualiteit en identiteit. Zij zijn de meest fundamentele van alle tabelwoorden.

De tabelwoorden op U kunnen een N-uitgang krijgen, en een J-uitgang. Met een J-uitgang verwijzen ze naar meerdere individuele personen, dingen of zaken.

Tabelwoorden op U zijn bepalers. Daarom kan men la niet gebruiken bij deze tabelwoorden.

Tabelwoorden op U zijn normaal gezien een epitheton (een bepaler) van een zelfstandig naamwoord, maar het zelfstandig naamwoord wordt dikwijls verondersteld. Als niets in de context op iets anders wijst, veronderstelt men, dat het gaat over het woord "person(en)":

  • Kiu libro estas via?Kiu estas via? - Welk boek is het jouwe? {1} Welk is het jouwe?
  • Tiu seĝo ŝajnas bona.Tiu ŝajnas bona. - Die stoel ziet er goed uit. {1} Die ziet er goed uit.
  • Ĉiu homo devas pensi mem.Ĉiu devas pensi mem. - Elke mens moet zelf denken. {1} Iedereen moet zelf denken.
  • Kiu persono venis?Kiu venis? - Welke persoon is gekomen? {1} Wie is er gekomen?
  • Ĉu estas iu [persono] en la kuirejo? — Jes, Paŭlo estas tie. - Is er iemand [één of andere persoon] in de keuken? — Ja, Paul is daar.
  • Jen kelkaj bonaj libroj. Kiun [libron] vi volas legi? — Mi volas tiun [libron]. - Dat zijn enkele goeie boeken. Welk [boek] wil je lezen? -- Ik wil dat [boek].
  • Ĉu vi havas krajonon? — Neniun [krajonon] mi havas. - Heb je een potlood? -- Ik heb er geen [potlood].

Ĉiu(j) is vanwege zijn betekenis altijd meervoudig, maar toch maakt men het onderscheid tussen een enkelvoudig ĉiu en een meervoudig ĉiuj.

  • Men gebruikt ĉiu, als men de individuen afzonderlijk beschouwt.
  • Men gebruikt ĉiuj, als men de hele groep samen bedoelt.

Soms is dat onderscheid niet belangrijk, maar in andere gevallen is er een groot verschil:

  • Por ĉiu tago mi ricevas kvin eŭrojn. = Por ĉiu aparta tago... - Voor elke dag kreeg ik vijf euro.=Voor elke aparte dag...
  • Ĉiu amas ordinare personon, kiu estas simila al li. = Ĉiu aparta homo amas... - Iedereen houdt gewoonlijk van een persoon, die op hem gelijkt. = Elke afzonderlijke mens houdt van...
  • Kvinope ili sin ĵetis sur min, sed mi venkis ĉiujn kvin atakantojn. = ...mi venkis la tutan grupon. - Met vijf wierpen ze zich op mij, maar ik haalde het tegen alle vijf de aanvallers. = ...ik overwon de hele groep.

    Hier is J noodzakelijk, omdat men het getal vijf vermeldt. Maar men zou ook kunnen zeggen: ...mi venkis ĉiun el la kvin atakantoj. Maar dan heeft men het niet over één gevecht tegen een hele groep, maar over vijf min of meer afzonderlijke gevechten.

  • Post la kurado ĉiuj estis terure lacaj. - Na het lopen was iedereen vreselijk moe.

    Men heeft het over de hele groep mensen die hebben gelopen. Ook mogelijk is: ...ĉiu estis terure laca.

  • El ĉiuj miaj infanoj Ernesto estas la plej juna. = El la tuta grupo de miaj infanoj... - Van al mijn kinderen is Ernest de jongste. = Van de volledige groep van mijn kinderen...
  • Nun mi legas, vi legas kaj li legas; ni ĉiuj legas. - Nu lees ik, lees jij en leest hij; wij lezen allemaal.

    Ni is een meervoudsvorm. Daarom moet ĉiuj beslist een J krijgen.

Een zelfstandig neniu komt gewoonlijk voor zonder J-uitgang:

  • La tempon venontan neniu ankoraŭ konas. Neniu = neniu persono. - De toekomst kent nog niemand. Niemand = geen enkele persoon.
  • Mi konas neniun en tiu ĉi urbo. - Ik ken niemand in deze stad.

Ook met een erop volgend zelfstandig naamwoord gebruikt men normaal gezien neniu zonder J:

  • Ŝi ne vidis eĉ la ĉielon, ĉar ĝi estis kovrita de nuboj kaj neniu stelo en ĝi brilis. - Zij zag zelfs de hemel niet, want hij was vol wolken en geen enkele ster [aan de hemel] schitterde.

Men kan neniuj wel gebruiken, als men op een of andere manier de tegenstelling wil aangeven met "meer dan één", maar dat doet men normaal gezien alleen als er een zelfstandig naamwoord op volgt:

  • Ĉe la fenestro restis plu neniuj floroj. - Bij het venster is er geen enkele bloem gebleven [bleven er geen enkele bloemen]

    Vroeger waren daar veel bloemen.

Tabelwoorden op O

kio
"welke zaak, wat voor zaak"
tio
"die zaak"
io
"een of andere zaak, een soort zaak"
ĉio
"elke zaak, elk soort zaak"
nenio
"geen enkele zaak, generlei [geen enkel soort] zaak"

Tabelwoorden op O verwijzen naar een zaak, die men niet precies kan benoemen met een zelfstandig naamwoord. Hier wordt het algemene woord "zaak" gebruikt als verduidelijking, maar de betekenis is zelfs nog algemener. De tabelwoorden op O worden ook gebruikt om iets aan te geven, dat men met een volledige zin uitdrukt.

Tabelwoorden op O kunnen een N-uitgang krijgen, maar normaal gezien krijgen ze geen J-uitgang, omdat zij een algemeen geheel uitdrukken.

Epitheta van tabelwoorden op O staan altijd na het tabelwoord: io bona, kion novan, ĉio grava k.s.

Tabelwoorden op O zijn zelfstandige zinsdelen. Zij kunnen een zelfstandig naamwoord niet omschrijven. Zij beantwoorden aan een U-woord + zaak:

  • Kio estas tio? = Kiu afero estas tiu afero? - Wat is dat?=Welk ding is dat ding?
  • Tio estas speco de meblo. = Tiu afero estas speco de meblo. - Dat is een soort meubel.=Dat ding is een soort meubel.
  • Ĉio restis kiel antaŭe. = Ĉiu afero restis kiel antaŭe. - Alles bleef zoals voorheen.=Elk ding bleef zoals voorheen.
  • Kion bonan vi trovis tie? = Kiujn bonajn aferojn vi trovis tie? - Wat voor goeds vond je daar?=Welke goeie zaken vond je daar?
  • Nenion interesan mi trovis. = Neniun interesan aferon mi trovis. - Niets interessants vond ik. = Geen enkele interessante zaak vond ik.

Soms kan men twijfelen tussen tio en ĝi. Normaal gezien gebruikt men tio met betrekking tot iets onbepaald, dat men niet kan of wil benoemen d.m.v. een precies zelfstandig naamwoord. Tio moet men beslist gebruiken als men wil verwijzen naar iets dat d.m.v. een volledige zin wordt uitgedrukt. Men gebruikt ĝi voor iets bepaalds, dat men voordien via een zelfstandig naamwoord uitdrukte, en dat men kan herhalen d.m.v. hetzelfde zelfstandig naamwoord met la of een andere bepaling:

  • Ŝi rakontis belan fabelon. Tio estis tre amuza. - Zij vertelde een mooi sprookje. Dat was heel vermakelijk.

    Het is vermakelijk, dat zij een sprookje vertelde. Tio verwijst naar de volledige voorgaande zin.

  • Ŝi rakontis belan fabelon. Ĝi estis tre amuza. - Zij vertelde een mooi sprookje. Het was heel vermakelijk.

    Het sprookje was leuk. Ĝi staat voor het zinsdeel la (bela) fabelo.

Tabelwoorden op A

kia
"van welke soort, met die eigenschap"
tia
"van die soort, met die eigenschap"
ia
"van een of andere soort, met een of andere eigenschap"
ĉia
"van elke soort, met elke eigenschap"
nenia
"van geen enkele soort, zonder enige eigenschap"

Tabelwoorden op A fungeren als bijvoeglijk naamwoord. Zij krijgen een J-uitgang en N-uitgang volgens dezelfde regels als de bijvoeglijke naamwoorden. Maar tabelwoorden op A verwijzen altijd naar een eigenschap of een soort, terwijl echte bijvoeglijke naamwoorden (met een echte A-uitgang) een hele variëteit aan betekenissen kunnen weergeven.

Tabelwoorden op A zijn bepalers. Daarom kan men ze niet samen met la gebruiken.

  • Kia li estas? Ĉu li estas maljuna aŭ juna? - Hoe is hij [van welk soort is hij?]? Is hij oud of jong?
  • Kian aĝon vi havas? - Tot welke leeftijdscategorie behoor je? [Welk soort leeftijd heb je?]
  • Kia estas via nomo? - Hoe is je naam?

    Of: Kiu [el ĉiuj nomoj] estas via nomo? Of meer voorkomend: Kio estas via nomo? Zamenhof gebruikte ook: Kiel estas via nomo? Meer gebruikelijk is evenwel: Kiel vi nomiĝas?

  • Be! li staris senhelpe, tian respondon li ne atendis. - Eh! Hij stond sprakeloos, zo'n antwoord verwachtte hij niet.
  • Estis tia ventego, ke la tegoloj deflugis de la tegmentoj. - Er was zo'n storm, dat de pannen van de daken vlogen.
  • Restu ĉiam tia, kia vi estas! - Blijf altijd zo, als je bent!

    Tia verwijst naar de erop volgende kia-zin. Als na tia geen volledige zin (met een predicaat) volgt, maar een zinsdeel, dan gebruikt men niet kia, maar het vergelijkende kiel: Li estas tia kiel mi.

  • Mi ne volis trinki la vinon, ĉar ĝi enhavis en si ian suspektan malklaraĵon. - Ik wil de wijn niet drinken, want hij bevat iets verdacht troebel.
  • Maldiligenteco estas la radiko de ĉia malbono. - Luiheid is de wortel van alle [soorten] kwaad.
  • Nenia konstruo povas esti sen bruo. - Geen enkel soort bouwwerk gebeurt zonder lawaai.

Tabelwoorden op A verwijzen naar een eigenschap of soort, terwijl tabelwoorden op U verwijzen naar een identeit. Bij kia/kiu en tia/tiu is het verschil normaal gezien duidelijk. Bij ia/iu, ĉia/ĉiu en nenia/neniu is er soms maar een klein verschil:

  • Kia homo li estas? - Welk soort mens is hij?

    Men wil een typering van de mens.

  • Kiu homo li estas? - Welke mens is hij?

    Men wil bv. de naam van de mens weten om zijn identiteit te kennen.

  • Tia opinio estas tute erara. - Een dergelijke opinie is volledig fout.

    Alle opinies van die soort zijn fout.

  • Tiu opinio estas tute erara. - Die opinie is totaal fout.

    De besproken opinie was fout. Andere gelijkaardige opinies waren misschien correct.

  • Ni devas enloĝiĝi en ia hotelo. = ...en hotelo de iu el la diversaj specoj de hoteloj. - Wij moeten in een soort hotel intrekken. = ...in een hotel van één van de verschillende soorten hotels.
  • Ni devas enloĝiĝi en iu hotelo. = ...en iu el la diversaj individuaj hoteloj, kiuj troviĝas ĉi tie. - Ik moet intrekken in een of ander hotel. = ...in een van de diverse individuele hotels, die zich hier bevinden.

    Normaal gezien laat men iu gewoon weg in dergelijke zinnen.

Tabelwoorden op ES

kies
"(de/het)...van wie"
ties
"(de/het)...van die"
ies
"(de/het)...van een of andere"
ĉies
"(de/het)...van elke"
nenies
"(de/het)... van geen enkele"

Een ES-woord, dat een epitheton van een zelfstandig naamwoord is, voegt een bepaalde betekenis toe. ES-woorden zijn dus bepalers – net als bezittelijke voornaamwoorden – en la kan er niet bij gebruikt worden. Als men een ES-woord vervangt door een de-uitdrukking, moet men er normaal la aan toevoegen.

Net als bezittelijke voornaamwoorden komen ES-woorden voor het zelfstandig naamwoord, hoewel de de-uitdrukking met dezelfde betekenis erna moet komen: ties libro = la libro de tiu (persono).

ES-woorden kunnen geen J-uitgang of N-uitgang krijgen:

  • Kies filino vi estas? - Wiens dochter ben jij?
  • Mi efektive ne scias, kies kulpo ĝi estas. - Ik weet inderdaad niet, wiens schuld het is.
  • Ili ekvidis virinon, kies vizaĝon ili en la krepusko ne rekonis. - Zij zagen plots een vrouw, wiens gezicht ze in de schemering niet herkenden.
  • Kies gasto mi estas, ties feston mi festas. - Wiens gast men is, diens feest men viert.

    Ties wordt niet erg veel gebruikt. Normaal gezien verkiest men bezittelijke voornaamwoorden (lia, ŝia, ĝiailia).

  • La infano ludis kun sia pupo, kiam subite ties kapo frakasiĝis. - Het kind speelde met zijn pop, toen haar hoofd brak.

    Ties geeft aan, dat het gaat over het hoofd van de pop. Moest het over het hoofd van het kind gaan, zou men zeggen ĝia kapo.

  • Kiu ĝojas pri ies malfeliĉo, tiu ne restos sen puno. = ...pri la malfeliĉo de iu persono... - Wie zich verheugt op iemands ongeluk, die zal niet ongestraft blijven.=...over het ongeluk van een of andere persoon

    Ies wordt gewoonlijk alleen gebruikt met betrekking tot één onbekende persoon (niet met betrekking tot zaken, noch voor meerdere personen of zaken).

  • Tio estis la koro de riĉa fama viro, kies nomo estis sur ĉies lipoj. = ...sur la lipoj de ĉiuj personoj. - Dat is het hart van een rijke beroemde man, wiens naam op ieders lippen lag. = ...op de lippen van alle personen.

    Ĉies wordt gewoonlijk alleen gebruikt met betrekking tot personen, niet tot zaken.

  • Memoru, ke Esperanto estas nenies propraĵo. - Onthoud, dat Esperanto niemands eigendom is.

    Nenies wordt gewoonlijk alleen gebruikt met betrekking tot personen, niet tot zaken.

Tabelwoorden op E

kie
"op welke plaats"
tie
"op die plaats"
ie
"op een of andere plaats"
ĉie
"op elke plaats"
nenie
"op geen enkele plaats"

Tabelwoorden op E kunnen geen J-uitgang krijgen, maar men kan ze wel een N-uitgang geven om een richting uit te drukken:

kien
"naar welke plaats, in welke richting"
tien
"naar die plaats, in die richting"
ien
"naar een of andere plaats, in een of andere richting"
ĉien
"naar elke plaats, in elke richting"
nenien
"naar geen enkele plaats, in geen enkele richting"
  • Kie estas la libro kaj la krajono? - Waar is het boek en het potlood?
  • Mi montris al la infano, kie kuŝas ĝia pupo. - Ik toonde het kind, waar zijn pop lag.
  • Sonorado al li venas, sed de kie — li ne komprenas. - Belgerinkel kwam hen ter ore, maar van waar -- hij begreep het niet.
  • Mi volis resti tie, kie mi estis. - Ik wilde blijven, waar ik was.
  • Se li scius, ke mi estas tie ĉi, li tuj venus al mi. - Moest hij weten, dat ik hier was, hij zou dadelijk bij mij komen.
  • Ĉu vi loĝas ie? = Ĉu vi loĝas en iu loko? - Woon je ergens?=Woon je in een of andere plaats?
  • Malsaĝulo ĉie sian nomon skribas. - Een dommerik laat overal zijn naam achter.
  • Pli bela reĝidino ol ŝi troviĝis nenie en la mondo. - Een mooiere prinses dan zij bevond zich nergens ter wereld.
  • Kien vi iras? — Mi iras en la ĝardenon. - Waar ga je heen? - Ik ga in de tuin.
  • Rigardu tien ĉi. - Kijk hierheen.
  • Mi nenien plu iros hodiaŭ. - Ik zal vandaag nergens heen gaan.

Tabelwoorden op AM

kiam
"op welk tijdstip, welke keer"
tiam
"op dat tijdstip, die keer"
iam
"op een of ander tijdstip, een of andere keer"
ĉiam
"op elk tijdstip, elke keer"
neniam
"op geen enkel tijdstip, geen enkele keer"

AM-woorden kunnen geen J- of N-uitgang krijgen.

  • Sed kiam tio okazis? - Maar wanneer gebeurde dat?

    Als men de exacte tijd vraagt, gebruikt men nochtans niet kiam, maar het rangorde-vraagwoord kioma.

  • Li skribis al mi, ke li intencas ĝin eldoni, sed li ne skribis ankoraŭ kiam li ĝin eldonos. - Hij schreef me, dat hij van plan was om het uit te geven, maar hij schreef nog niet wanneer hij het zou uitgeven.
  • En unu tago, kiam ŝi estis apud tiu fonto, venis al ŝi malriĉa virino. - Op een dag, toen ze bij de bron was, kwam een arme vrouw naar haar toe.
  • Tubeto, en kiun oni metas cigaron, kiam oni ĝin fumas, estas cigaringo. - Een buisje, waarin men een sigaar stopt, als men ze rookt, is een sigarenkoker.
  • De kiam vi loĝas ĉi tie? - Sinds wanneer woon je hier?
  • Li vekiĝis nur tiam, kiam la suno leviĝis. - Hij ontwaakte pas, toen de zon opging.
  • Ŝajnas al mi, ke ĉi tiun vizaĝon mi jam iam vidis. - Het lijkt me, dat ik dat gezicht al ooit zag.
  • Ŝi estis ja la plej bela knabino, kiun li iam vidis. - Zij is wel het mooiste meisje, dat hij ooit zag.

    Iam stelt één of andere verleden tijd voor.

  • Oni diras, ke la vero ĉiam venkas. - Men zegt, dat de waarheid altijd overwint.
  • Bona koro neniam fariĝas fiera. - Een goed hart wordt nooit trots.
  • La maljunulo fermos por ĉiam siajn okulojn. - De oude man zal voor altijd zijn ogen sluiten.

    De uitdrukking por ĉiam geeft aan, dat de gevolgen altijd zullen blijven. Het sluiten van de ogen is maar voor een ogenblik, maar het gevolg, het gesloten zijn van de ogen, zal eeuwig duren.

Tabelwoorden op AL

kial
"om welke reden, op basis van welk motief, om wat"
tial
"om die reden, op basis van dat motief, om dat"
ial
"om één of andere reden, op basis van een of ander motief, om een of ander iets"
ĉial
"om elke reden, op basis van elk motief, om alles"
nenial
"om geen enkele oorzaak, om geen enkel motief, om niets"

AL-woorden kunnen geen J-uitgang of N-uitgang krijgen.

  • Kial vi ploras? - Waarom ween je?
  • Mi komprenas, kial vi faris tion. - Ik begrijp, waarom je dat doet.
  • Hodiaŭ estas bela frosta vetero, tial mi prenos miajn glitilojn kaj iros gliti. - Vandaag is het mooi vriesweer, daarom zal ik mijn schaatsen nemen en gaan schaatsen.

    Merk het verschil tussen tial en ĉar. Tial geeft een oorzaak aan, maar ĉar leidt een ondergeschikte zin in, die een oorzaak aangeeft: Mi prenos miajn glitilojn kaj iros gliti, ĉar hodiaŭ estas bela frosta vetero.

  • Mi vin ial ankoraŭ ne konas. - Ik ken je om een of andere reden nog niet.
  • Vi demandas, kial mi amas vin. Mi respondas: ĉial! - Jij vraagt, waarom ik van je hou. Ik antwoord: om alle mogelijke redenen!

Het woord nenial wordt in de praktijk heel weinig gebruikt, maar men gebruikt het wel, het ontkent de hele zin (net als alle andere NENI-woorden):

  • Tian Regularon por nia Ligo mi nenial povus aprobi. = ...mi pro neniuj motivoj povus aprobi. - Een dergelijk Reglement voor ons Verbond zou ik om geen enkele reden goedkeuren. = ...ik zou om geen enkel motief kunnen goedkeuren.
  • Vi povus inciti lin kiom ajn. Li nenial kolerus. = ...li pro neniu kaŭzo kolerus. - Je zou hem om het even hoeveel kunnen irriteren. Hij zou nooit kwaad worden.=...hij zou om geen enkele reden kwaad worden.

Als men een positieve betekenis wil aangeven moet men één van de volgende uitdrukkingen gebruiken sen kaŭzo, senkaŭze, senmotive e.d.: Ŝi ridis senkaŭze. = Ŝi ja ridis, sed sen motivo..

Tabelwoorden op EL

kiel
"op welke manier of in welke graad"
tiel
"op die manier of in die graad"
iel
"op een of andere manier of in een of andere graad"
ĉiel
"op elke manier"
neniel
"op geen enkele manier"

De EL-woorden zijn algemene bijwoordelijke tabelwoorden, die men gebruikt, als het over iets gaat dan een tijdstip of een gelegenheid (AM-woorden), plaats (E-woorden), oorzaak (AL-woorden) of gelegenheid/getal (OM-woorden). De EL-woorden dekken min of meer alle andere betekenissen, die een bijwoordelijk woord kunnen uitdrukken. Maar in principe gaat het over graad en wijze.

EL-woorden kunnen geen J- of N-uitgang krijgen.

  • Kiel li aspektas? - Hoe ziet hij er uit?
  • Kiel vi fartas? - Hoe maak je het?
  • Rakontu al mi per malmulte da vortoj, kiel tio okazis. - Vertel mij met weinig woorden, hoe dat gebeurde.
  • Mi zorgas pri ŝi tiel, kiel mi zorgas pri mi mem. - Ik zorg voor haar zoals ik voor mezelf zorg.
  • Kiel alta estas tiu turo? - Hoe hoog is die toren?
  • Kiel longe tio ankoraŭ daŭros? - Hoe lang zal dat nog duren?
  • Tiu ĉi malfreŝa pano estas malmola, kiel ŝtono. - Dit oudbakken brood is hard, als steen.
  • Bojas hundido, ĉar tiel faras la hundo. - Er blafte een puppy, want zo doet de hond.
  • Ne faru tiel, faru tiel ĉi! - Doe het niet zo, doe het zo!
  • Ili ambaŭ estis tiel malagrablaj kaj tiel fieraj, ke oni ne povis vivi kun ili. - Zij waren beide zo onvriendelijk en zo trots, dat men niet kon leven met hen.
  • Mi estas tiel forta, kiel vi. - Ik ben zo sterk, als jij.
  • Iel ni sukcesos. - Op één of andere manier slaagden we.
  • Ili ĉiel helpis al mi. - Ze hielpen mij op alle [mogelijke] manieren.
  • Mi neniel esperis sukceson. - Ik hoopte op geen enkele manier op succes.

Tabelwoorden op OM

kiom
"hoeveel, met welke hoeveelheid"
tiom
"zo veel, zo veelvuldig, van een dergelijke hoeveelheid"
iom
"niet heel veel maar ook niet weinig"
ĉiom
"de hele hoeveelheid"
neniom
"geen enkel aantal, geen enkele hoeveelheid"

OM-woorden kunnen geen J- of N-uitgang krijgen.

  • Kiom vi volas, ĉu du aŭ tri? = Kiel multajn vi volas... - Hoeveel wil je er, twee of drie? = Hoeveel wil je er...
  • Ŝi pripensis, kiom kostos al ŝi la nokta restado. - Zij bedacht, hoeveel het nachtelijk verblijf haar zou kosten.
  • Ho, kiom pli bona estas via amo, ol vino! - O, hoeveel aangenamer is jouw liefde, dan wijn!
  • Kiom mi vidas, vi havas nur unu filon. = Laŭ tio, kion mi vidas, vi havas... - Voor zover ik kan zien, heb je maar één zoon. = Op basis van hetgeen ik zie, heb je...

    Misschien heb je meer zonen, maar ik kan er niet meer zien.

  • Sendi 100 ekzemplerojn mi ne povis, ĉar mi nun tiom ne havas. - 100 Exemplaren versturen kon ik niet, want ik had er nu niet zoveel.
  • Mi havas tiom multe, ke mi ne bezonas ŝpari! - Ik heb zoveel, dat ik niet hoef te sparen!

    Dikwijls worden kiom en tiom samen met multe (of multaj) gebruikt. Multe kan worden weggelaten, maar het versterkt enigszins de betekenis. Men kan ook kiel multe, tiel multe gebruiken, maar dan is er geen sprake van versterking.

  • Ŝi aĉetis iom da butero. = ...kvanton da butero ne tre grandan sed tamen konsiderindan. - Zij kocht wat boter. = ...een hoeveelheid boter, niet zo veel maar toch aanzienlijk.

    In theorie zou iom "een of andere onbepaalde hoeveelheid" moeten betekenen, maar in de praktijk geeft die nagenoeg altijd een kleine hoeveelheid aan. De betekenis is inderdaad zelfs nog specialer, met name: "niet erg veel, maar wel genoeg om als betekenisvol beschouwd te worden". Verwar iom niet met malmulte: Li faris iom da eraroj. Er waren niet heel veel fouten, maar toch voldoende om hem te berispen. Li faris malmulte da eraroj. De fouten waren zo zeldzaam, dat men hem moest complimenteren.

  • Mi pensas, ke mi ĝin ankoraŭ iom memoras. = ...ne tre multe memoras, sed ankoraŭ ja memoras. - Ik denk, dat ik het me nog een beetje herinner.=...niet heel goed, maar ik herinner het me nog.
  • Tie supre estingiĝis la ruĝaj koloroj, dum la suno iom post iom malaperis. - Daarboven doofden de rode kleuren uit, terwijl de zon beetje bij beetje verdween.

    De uitdrukking iom post iom geeft aan, dat een verandering plaatsgrijpt in kleine nauwelijks zichtbare stapjes.

  • Kiom da benzino vi volas? — Mi volas ĉiom, kiom vi havas. = ...Mi volas la tutan kvanton da benzino, kiun vi havas. - Hoeveel benzine wil je? — Ik wil er zoveel, als je er hebt. = ...Ik wil de volledige hoeveelheid benzine, die je hebt.

    De betekenis van ĉiom raakt dikwijls heel dicht aan de betekenis van ĉio, wat men veel frequenter gebruikt.

  • Sur la mezo de la strato estas multe da radoj kaj da ĉevalaj hufoj, sed da homoj piedirantaj estas malpli, preskaŭ neniom. - In het midden van de straat zijn er veel wielen en paardenhoeven, maar voetgngers zijn er weinig, bijna geen.

OM-woorden worden zowel bijwoordelijk als zelfstandig-naamwoordelijk gebruikt.

Normaal gezien gebruikt men om graden aan te geven kiel en tiel. Maar om sterker te beklemtonen, kan men in de plaats daarvan kiom en tiom gebruiken: Ĝi estis tiom bela, ke mi svenis. La Esperantistoj tute ne pretendas, ke ilia lingvo prezentas ion tiom perfektan, ke nenio pli alta jam povus ekzisti.

Kunnen ALI-woorden tabelwoorden zijn?

Dikwijls zijn er voorstellen geweest om ook het begindeel ALI- toe te voegen aan de tabel, en dus een extra-serie tabelwoorden te maken aliu, alio, alia, alies, alie, aliam, alial, aliel, aliom*. Sommigen brengen dit zelfs in de praktijk vooral door de woorden aliel en alies te gebruiken.

In het officiële Esperanto is ALI een gewone stam, waarmee men door samenstelling met de gewone uitgangen woorden maakt.

  • alia = "niet dezelfde, verschillende"
  • alio = "iets anders"
  • alie = "bij een andere gelegenheid, op een andere wijze"
  • alii = "anders zijn, verschillen" (zelden gebruikt)

Het in gebruik nemen van de nieuwe tabelwoorden zou drastische veranderingen in de taal teweegbrengen. Dit zijn enkele voorbeelden:

Het woord alie betekent meestal "bij een andere gelegenheid", maar het kan ook "op een andere manier" betekenen. Het tabelwoord alie zou in de plaats daarvan "op een andere plaats" betekenen. Bijgevolg zouden zinnen zoals Ni devas alie agi volledig van betekenis veranderen.

Alia is in het normale Esperanto geen tabelwoord, maar een doorsnee bijvoeglijk naamwoord, en het betekent: "van een andere soort" of "met een andere identiteit". Het nieuwe tabelwoord alia zou als enige betekenis "van een andere soort" hebben. Moesten er tabelwoorden bestaan beginnend met ALI, zou men dus bv. niet meer mogen zeggen: la alia ĉambro estas pli granda, maar la aliu ĉambro estas pli granda. Men zou ook moeten zeggen: ili amas unu la aliun i.p.v. het gebruikelijke ili amas unu la alian.

Men maakt dikwijls samenstellingen zoals: de alia specoalispeca. Maar gebruikers van tabelwoorden beginnend met ALI zouden in de plaats daarvan moeten zeggen: aliuspeca, omdat men de einddelen van tabelwoorden niet mag weglaten. Vergelijk met: de tiu specotiuspeca (niet: tispeca).

Nog niemand heeft de volledige tabelwoordenserie beginnend met ALI consequent in de praktijk gebracht. Wat tot nu toe bestaat is het ondoordachte en onlogische gebruik van aliel en alies, en af en toe aliu. Sommigen gebruiken deels klassiek Esperanto, deels het "hervormingsgezinde" dialect. Als ze het bv. over alie of alia hebben, kan men niet weten, of men dit nu moet verstaan volgens de Fundamento-taal, of volgens het nieuwe dialect. Gelukkig gebruiken de meesten de taal nog reglementair en logisch.

Gebruik dus alleen de al bestaande tabelwoorden, en druk andere zaken uit door gewone stammen volgens de regels van het Fundamento:

Een klaarblijkelijke hervorming Officiëel Esperanto
aliu alia
alia alia, alispeca, alieca
alies de alia (persono), aliula
alie aliloke
alien aliloken
aliam alifoje, aliokaze
alial alikaŭze
aliel alimaniere, alie
aliom alikvante

Noot: Ooit stelde men de "kompromis"-vormen aliio, aliiu, aliia, aliie, aliiel enz... voor (samenstellingen van de stam ALI met tabelwoorden eindigend op I). Dergelijke woorden zijn reglementair, maar jammer genoeg zijn ze totaal ongeschikt in de praktijk. Het verschil horen tussen aliie en alie, tussen aliia en alia, enz..., is niet gemakkelijk. Het volstaat niet, dat woorden reglementair zijn samengesteld, ze moeten ook functioneren in de praktische communicatie.

Terug naar boven